Recht in de risicomaatschappij

Senaat‘Echte koffie, lekkere koffie’. Ik vraag mijn studenten vaak in hoeverre zij zich bewust zijn van de mogelijke consequenties van het drinken van hun dagelijkse kopjes koffie. Houden zij zo de dochter van de koffieboer op het land om te helpen met de oogst en dus niet in staat zich te ontwikkelen, of stellen zij haar in staat naar school te gaan, zoals zijzelf? Hetzelfde gaat op voor het shoppen bij bijvoorbeeld de Primark. De reden dat ik dit vraag is dat wij ons steeds meer bewust worden van die consequenties, op individueel, organisatie- en institutioneel niveau. Ons handelen brengt naast de effecten die we beogen, neveneffecten met zich mee en onze confrontatie met die neveneffecten (in de vorm van een natuurramp, aperte armoede of een fabrieksongeluk) dwingt ons te reflecteren op de juistheid van ons handelen. Het is dit (ethisch) besef dat centraal staat in het eerste Ucall-congres Recht in de risicomaatschappij  dat op 9 en 10 april gehouden wordt in Utrecht.

Recht en samenleving: de risicomaatschappij

Een uitgangspunt dat ik hanteer in mijn onderzoek is dat om het recht te begrijpen het belangrijk is om de omgeving van het recht te begrijpen – de samenleving. Recht staat immers ten dienste aan de samenleving, in wat voor een vorm dan ook. De samenleving kan je op vele manieren begrijpen. Een ervan is door middel van de sociale theorie – deze discipline tracht grip te krijgen op structurele sociale processen om zo te komen tot de ontwikkeling van een maatschappijtheoretisch kader op basis waarvan vragen gesteld worden over hoe het recht kan of moet omgaan met die processen.

De risicomaatschappij is zo’n kader, geformuleerd in 1986 door de onlangs overleden Duitse sociaaltheoreticus Ulrich Beck in de moderne klassieker Risikogesellschafft (Suhrkamp, 1986.). De essentie van het boek is dat de huidige samenleving geconfronteerd wordt met de neveneffecten van de successen van indus­trialisering en individualisering. De confrontatie met deze neveneffecten is zichtbaar in onder meer de (sociale) consequenties van de milieuproblematiek en klimaatverandering, inkomensongelijkheid, industriële bedrijvigheid en lineaire economische groei, de toenemende nadruk op veiligheid, preventie en voorzorg, en de (morele) onthechting van groepen en individuen.

De beschrijving van de wereldmaatschappij als een wereld­risicomaatschappij is het maatschappijtheoretisch kader van Becks theorie van reflexieve modernisering. Kort gezegd betekent reflexie dat de confrontatie met de neveneffecten van moderniseringsprocessen dwingt tot een heroverweging van de grondslagen van het ‘moderne project’. Voor juristen en rechtswetenschappers dwingt deze confrontatie tot een heroverweging of herijking van de juridische grondslagen van het moderne project en de daarmee verbonden leerstukken en methodologie, om de neveneffecten het hoofd te bieden.

Armoede en niet-verantwoordelijkheid

Het vergt wellicht een denkstap om armoede (hier bedoel ik de aperte armoede die in grote delen van de wereld heerst) op te vatten als een neveneffect van een mondiale economische orde die door het recht wordt gefaciliteerd. Wij (kort gezegd het Westen of de ontwikkelde wereld) zien het enkel als onze morele plicht armoede te bestrijden, waarvan de oorzaak vaak wordt gezocht in de nationale situatie.

Het zijn denkers als Thomas Pogge en Scott Veitch die juist de opvatting verdedigen dat wij armoede veroorzaken maar dat ons het zicht daarop is ontnomen; we zien het niet. Veitch (Law and Irresponsibility. On the legitimation of human suffering, London: Routledge, 2007) stelt dat ons rechtmatig handelen leidt tot ‘extreme human suffering’ waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt of überhaupt is. Het recht genereert ‘practices of irresponsibilities’. Ons zicht wordt ontnomen omdat het recht  wordt gekenschetst door gangbaarheid (wat we rechtens doen, is ‘normaal’), correctheid (wat rechtens is, is ‘ goed’) en prioriteit (recht geldt als hoogste maatstaf voor ons handelen). Er is een asymmetrie, zegt Veitch, tussen rechtmatig handelen en de extreme neveneffecten die het veroorzaakt, zoals armoede en de daaraan ten grondslag liggende ongelijke verdeling van welvaart en toegang tot welvaart

Armoede en het schadebeginsel

In beginsel draagt eenieder zijn eigen schade. Dit is een van de uitgangspunten in het aansprakelijkheidsrecht. Slechts schade veroorzaakt door het toedoen van een ander komt voor vergoeding (of vergelding) in aanmerking. Dit uitgangspunt is op te vatten als een uiting van het liberale schadebeginsel van John Stuart Mill (On Liberty, Oxford: Oxford University Press, 2008). Het is een moreel beginsel: “The only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others.”

Het is een leidend beginsel en als zodanig richtinggevend voor ons handelen. Het is Thomas Pogge (World Poverty and Human Rights. Cosmopolitan Responsibilities and Reform, London: Polity Press, 2008 (2nd ed.)) die dan ook benadrukt dat wij dit beginsel schenden als het aankomt op armoede. Door de wijze waarop wij ons economisch systeem hebben ingericht veroorzaken wij armoede – schaden wij anderen al is het (juridisch gezien) onmogelijk om daarvoor op basis van causaliteit en toerekening aansprakelijkheid voor te vestigen.

Indien wij dit liberale schadebeginsel hoog in het vaandel dragen en proberen het beginsel door te trekken op globaal niveau en proberen het toe te passen, niet slechts op bilaterale relaties tussen individuen, maar ook op instituties zoals de economische markt, kan dat leiden tot een heroverweging van de betekenis van verantwoordelijkheid en een herijking van de betekenis en reikwijdte van aansprakelijkheid. Wellicht willen we zo twee of drie keer meer betalen voor dat kopje koffie…

Het congres

Maatschappelijke veranderingen stellen het recht voor vele uitdagingen en het is de opdracht aan ons als juristen en rechtswetenschappers antwoorden of oplossingsrichtingen te formuleren. Daarvoor is belangrijk dat we eerst de problemen (de uitdagingen) inzichtelijk maken – dat is immers de helft van het antwoord. Het congres is een aanzet daartoe. Het biedt de mogelijkheid om gedurende twee dagen te praten en te discussiëren over de rol van het recht in de risicomaatschappij en (uiteindelijk) de eisen die (globale) rechtvaardigheid eraan stelt. Het congres wordt afgetrapt door een plenaire lezing van Scott Veitch. Wees welkom. Voor meer informatie, klik hier en meld je aan door een mail te sturen aan UCALL.Congres2015@uu.nl.

Dit bericht werd geplaatst in Beweging in het Aansprakelijkheidsrecht op door .
Bald de Vries

Over Bald de Vries

Als lid van de Working Group (Reflexive) Modernisation and Law, werk ik op het terrein van de sociale theorie en de rechtstheorie/filosofie. Als docent ben ik betrokken bij het Utrecht Law College. Het uitgangspunt is dat het recht ten dienste staat aan de maatschappij en een goed begrip van het recht vereist een goed begrip van die maatschappij en maatschappelijke ontwikkelingen. Mijn maatschappijbegrip is theoretisch (en niet empirisch), ontleend aan theorieen van reflexieve modernisering (zoals die van Ulrich Beck, Zygmunt Bauman en anderen). Structurele maatschappelijke veranderingen dwingen tot een heroverweging van de vooronderstelde en vanzelfsprekende grondbeginselen van recht ten einde recht tot zijn recht te kunnen laten komen in een globale interdependente wereld. Mijn specifieke aandacht gaat momenteel uit naar contemporainte noties van 'moderniteit', daaraan gerelateerde concepten zoals onzekerheid en contingentie, risico, voorzorg en duurzaamheid, en de relatie van die noties met het recht en de rechtstheorie: legaliteit en Rechtsstaat, aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid, autonomie en zelfbeschikking, globale rechtvaardigheid. Daarnaast gaat mijn aandacht uit naar (schrijven over) juridisch onderwijs en onderwijsdidactiek.

Stuur e-mail | Profielpagina