Letselschadeslachtoffers, verzekeraars en privédetectives: wat zegt het EHRM daar over?

Versie 2Op zondag 29 mei jl. besteedde het televisieprogramma De Monitor aandacht aan het laten schaduwen van letselschadeslachtoffers door privédetectives in opdracht van verzekeraars. In die uitzending kwam onder meer een letselschadeslachtoffer aan het woord die een whiplash had opgelopen in een auto-ongeval. Whiplash staat erom bekend dat het moeilijk, zo niet onmogelijk kan worden gediagnosticeerd. De verzekeraar bij wie vanwege het ongeval een uitkering was gevraagd, twijfelde over het door het letselschadeslachtoffer beweerdelijk geleden letsel. Die twijfel was aanleiding om een privédetective in te schakelen om opheldering te krijgen over de fysieke conditie van het letselschadeslachtoffer. Het slachtoffer werd gevolgd zonder daar zelf van op de hoogte te zijn en kreeg de bevindingen vervolgens in een civiele procedure waarin zij uitkering door de verzekeraar vorderde, tegengeworpen.

Die uitzending is aanleiding om hier kort stil te staan bij een zaak die reeds aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft voorgelegen en veel gelijkenis vertoont met de zaken die in De Monitor aan de orde waren: de zaak Verliere t. Zwitserland. De (ontvankelijkheid)beslissing van het EHRM in de zaak biedt inzicht in de betekenis van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de situatie waarin een letselschadeslachtoffer wordt geconfronteerd met onderzoek – zonder medeweten van het letselschadeslachtoffer uitgevoerd – door een privédetective in opdracht van de verzekeraar bij wie het slachtoffer vergoeding heeft geclaimd. Centraal staat de vermeende schending door de Zwitserse staat van artikel 8 EVRM, het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven.

Wat was er in Verliere t. Zwitserland precies gebeurd? Verliere raakte in 1979 als bijrijder in een auto betrokken bij een verkeersongeval, als gevolg waarvan zij ernstig letsel leed. De auto waarin Verliere zat was verzekerd bij verzekeraar S. Verliere sprak S. aan voor vergoeding van haar schade en S. keerde tot 1985 vergoedingen voor medische kosten uit. Daarna weigerde S. tot nieuwe uitkeringen over te gaan. Verliere heeft S. daarop op 20 oktober 1989 gedagvaard voor het Handelsgericht Zürich en merkte tijdens de procedure dat zij op verschillende momenten door privédetectives werd gevolgd. Naar later blijkt waren bij de verzekeraar in 1982 bedenkingen gerezen omtrent Verliere’s letsel. Die bedenkingen waren voor de verzekeraar aanleiding om twee privédetectives in te schakelen om zich een beeld te vormen van Verliere’s lichamelijke conditie. Verliere verzocht daarop op 13 november 1990 in een nieuwe procedure om bescherming van haar persoonlijkheidsrechten, meer concreet om een verbod op het nog langer volgen door de verzekeraar, om de vernietiging van het tot dan met het volgen verkregen materiaal, en om een verklaring voor recht dat het verkregen materiaal haar persoonlijkheidsrechten schond.

In die laatste procedure besliste het Zwitserse Bundesgericht in laatste instantie – het verzoek is dan reeds tweemaal afgewezen – dat er onder omstandigheden belangen zijn die een inbreuk rechtvaardigen op het recht op eerbiediging van het privéleven. Daartoe horen ook de taak van de verzekeraar om vast te stellen of de verzekerde (bijv. de bezitter van een motorrijtuig in geval van een Nederlandse WAM-verzekering) aansprakelijk is voor de schade waarvoor de derde benadeelde, (bijv. een derde die door een motorrijtuig wordt aangereden; hier: bijrijder Verliere), vergoeding claimt en de verplichting om te beoordelen of de vordering van het letselschadeslachtoffer gerechtvaardigd is. De verantwoordelijkheid van de verzekeraar is overigens niet beperkt tot de waarborging van een rechtmatige afwikkeling in het individuele geval. De verzekeraar dient ook de collectieve belangen van de bij hem verzekerden te behartigen. In dat licht dient bijvoorbeeld te worden voorkomen dat onterechte vorderingen worden voldaan die hun uitwerking hebben op de hoogte van de premies. Het Bundesgericht neemt als vertrekpunt voor zijn beslissing dat is komen vast te staan dat het onderzoek is verricht vanaf openbaar terrein en beperkt was tot het vaststellen van Verliere’s mobiliteit, hetgeen een essentieel onderdeel was van de procedure waarvoor het onderzoek werd verricht. Het onderzoek was aldus enkel gericht, stelt het Bundesgericht vast, op de bescherming van de verzekeraars vermogensrechten en het vastleggen van bewijs voor ten behoeve van het verweer in de procedure. De hoogste rechter concludeert dat de verzekeraar, gezien het hiervoor overwogene en ook gezien de omvang van de vordering (2.600.000 Zwitserse Frank), gerechtigd was tot het uitvoeren van het onderzoek. Hij merkt daarbij nog op dat het surveilleren, fotograferen en filmen geschikte middelen waren om het beoogde doel te bereiken. Ofschoon iemands fysieke gesteldheid ook medisch kan worden onderzocht, blijft dat vooral een theoretische exercitie, terwijl de effecten van een ongeval op iemands lichamelijke integriteit het best kunnen worden beoordeeld onder verwijzing naar iemands sociale en werkleven, aldus het Bundesgericht. Het onderzoek door de privédetective was, tot slot, ook niet disproportioneel. Het in tien jaar tijd verrichten van vier onderzoeken die alle enkele dagen hebben geduurd was niet disproportioneel, noch waren de geschoten foto’s volgens het Bundesgericht disproportioneel. Het kantongerecht is zijn discretionaire bevoegdheid, aldus het Bundesgericht, met zijn oordeel niet te buiten gegaan.

Verliere klaagt voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over een schending door de Zwitserse staat van het recht op eerbiediging van het privéleven als in artikel 8 EVRM. Zij stelt dat het recht op eerbiediging van het privéleven weliswaar door een private persoon (verzekeraar S.) is geschonden, maar dat de Zwitserse autoriteiten die schending hebben toegestaan. Onder verwijzing naar X enY t. Nederland betoogt Verliere dat het EHRM artikel 8 EVRM zó ruim interpreteert, dat zij ook in haar situatie gerechtigd is voor het EHRM over schending van artikel 8 EVRM te klagen. Het EHRM onderschrijft dat positieve (of: inspannings)verplichtingen inherent zijn aan een effectieve bescherming van het recht op respect voor privé- en familieleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Die verplichtingen kunnen aldus het EHRM ook inhouden dat maatregelen moeten worden getroffen om het respect voor het privéleven in particuliere verhoudingen te verzekeren. Maar, anders dan de Nederlandse staat in X en Y t. Nederland, had de Zwiterse wetgever Verliere ook effectieve bescherming geboden, namelijk in de vorm van civiele én strafrechtelijke acties. Verliere had van de civiele actie gebruik gemaakt, maar zonder succes. De uitspraak van de Zwitserse rechter laat volgens het EHRM echter zien dat een grondige analyse van de belangen van beide partijen is verricht. Het EHRM refereert daarbij aan de vaststelling door het Bundesgericht dat op de verzekeraar een verplichting rustte om de rechtmatigheid van de vordering te beoordelen, daarbij mede handelend in het collectieve belang van alle verzekerden. Het EHRM merkt verder op dat de rechter heeft geconstateerd dat het privéonderzoek is verricht vanaf openbaar terrein, en ook dat het beperkt is tot het vaststellen van Verliere’s mobiliteit en aldus enkel was gericht op de bescherming van de vermogensbelangen van de verzekeraar. Het EHRM komt tot de conclusie dat er geen verdenking is van schending van artikel 8 EVRM, dat zowel op het niveau van wetgeving als rechtspraak aan de verplichtingen onder artikel 8 EVRM is voldaan, en verklaart de klacht daarom ex artikel 35 EVRM niet-ontvankelijk.

De conclusie uit Verliere t. Zwitserland is dus als volgt: voor de waarborging van respect voor iemands privéleven in private verhoudingen is inherent van de staat kan worden gevraagd dat die actie onderneemt. Aan die positieve (of: inspannings)verplichting is in de context van de verzekeraar die door stiekeme uitvoering van privéonderzoek inbreuk maakt op het privéleven van een letselschadeslachtoffer in Verliere t. Zwitserland voldaan, omdat het letselschadeslachtoffer civielrechtelijke en strafrechtelijke remedies ter beschikking had om hier tegen op te komen. De inzet van zo’n remedie hoeft niet te betekenen dat de rechter de verzekeraar moet gebieden het onderzoek stop te zetten: het kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn dat een verzekeraar inbreuk maakt op het privéleven van het letselschadeslachtoffers als daarmee een hoger belang wordt gediend, zodat de remedie aldus zonder succes wordt ingezet.

Met de uitspraak in Verliere t. Zwitserland geeft het EHRM verder invulling aan artikel 8 EVRM, namelijk voor de situatie waarin een verzekeraar een privédetective inschakelt voor onderzoek naar een letselschadeslachtoffer die de verzekeraar om een uitkering verzoekt. Het EHRM legt uit wat de rol van de overheid is ten aanzien van de waarborging van het recht op eerbiediging van het privéleven van het letselschadeslachtoffer. Het EHRM schept met zijn uitspraak een belangrijk kader, maar die uitspraak laat natuurlijk onverlet dat van verzekeraars zelf op grond van het Nederlandse privaatrecht ook (concreet) wordt verwacht dat die zorgvuldig handelen. In het kader van dat zorgvuldig handelen is het denk ik nu in de eerste plaats, zoals ook de minister van Veiligheid en Justitie in een reactie opmerkt, de verantwoordelijkheid van de verzekeraars om te beslissen of de ontwikkeling van een toetsingskader behulpzaam zou kunnen zijn om vast te stellen of een privéonderzoek is aangewezen. Het verdient daarbij opmerking dat het Verbond van Verzekeraars jaren geleden reeds een Gedragscode Persoonlijk Onderzoek heeft opgesteld, maar dat zo’n toetsingskader verder invulling zou kunnen geven aan het daarin gestelde ten aanzien van proportionaliteit en subsidiariteit (artikelen 2 en 3 Gedragscode Persoonlijk Onderzoek). Dat is een verantwoordelijkheid die denk ik ook past bij de vaststelling van privacy als waarde als omschreven in de Gedragscode Behandeling Letselschade, die door het Verbond van Verzekeraars voor zijn leden bindend is verklaard. Zo’n toetsingskader maakt voor letselschadeslachtoffers in elk geval beter inzichtelijk waarom onderzoek is verricht en maakt mogelijk dat de beslissing om onderzoek te verrichten berust op een afweging die is gedaan op grond van een (objectief en ook in andere gevallen toegepast) toetsingskader.