Civiel schadeverhaal via het strafproces and beyond

civiel-schadeverhaalHoe staat het met het civiele schadeverhaal anno 2016? Dat was de vraag waarover wij ons de afgelopen maanden hebben gebogen. In een uitgebreide verkenning hebben we, gebruikmakend van verschillende onderzoeksmethoden, onderzocht hoe succesvol het schadeverhaal van slachtoffers van delicten via het strafproces verloopt, hoe dat in de praktijk verloopt en welke problemen zich daarbij voordoen. Vergelijkingspunt was de evaluatie uit 2007, destijds uitgevoerd door Van Wingerden, Moerings en Van Wilsum. Nu gaan we niet herhalen wat elders te lezen valt. Volstaan kan worden te melden dat de kans op succesvol schadeverhaal via strafrechtelijke weg significant is toegenomen. Dat is mooi, maar er is geen reden om een loflied op de strafrechtspleging aan te heffen in dit verband, want er zijn nog steeds beletselen die schadeverhaal in de weg staan. Welke dat precies zijn is te lezen in het rapport, hier kan worden volstaan met aan te geven dat die beletselen samenhangen met enerzijds de ‘mechanische werkelijkheid’ van de strafrechtspleging en anderzijds de ‘levende werkelijkheid’ van de slachtofferervaring. De ingevoerde lezer ziet de bui al hangen, en inderdaad, de strafrechtspleging blijkt nog (steeds) niet in staat om de tragiek, en in dit geval de daarmee gepaard gaande schadelijke gevolgen, van menselijk lijden voldoende te redresseren.

Daar kunnen we gelijk aan toevoegen dat het strafrecht daar ook niet voor bedoeld is, en dat het civiele schadeverhaal van oudsher bedoeld is als gebaar van billijkheid en proceseconomie. Dat laatste is overigens inmiddels een achterhaald gegeven. Want hoewel het soms nog steeds gaat om eenvoudige vast te stellen schade, weten we inmiddels ook dat artikel 51f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gebruikt wordt om complexere en/of omvangrijkere schades aan het oordeel van de strafrechter voor te leggen. Dat roept interessante vragen op. Daarmee is overigens niet gezegd dat de ‘kleine vorderaars’ niet van belang zouden zijn. Integendeel, wanneer de eenvoudige vorderingen niet eens tot fatsoenlijk schadeverhaal via het strafproces kunnen leiden zal dit de toch al eeuwig op de loer liggende erosie van de legitimiteit van de strafrechtspleging bevorderen. ‘Wie het kleine niet eert, is het grote – ofwel: de aanspraak op publiek gezag – niet weerd’.

Maar hoe zit dat dan voor de complexere, omvangrijkere schadevorderingen, zoals bijvoorbeeld ingebracht in de Amsterdamse zedenzaak of onlangs gevorderd (en deels toegewezen) in de Vinkeveense plassenzaak? Waarom wordt daar door slachtoffers, op advies van hun advocaten, gekozen voor de strafrechtelijke route als het gaat om civiel schadeverhaal? Duidelijk is dat de aan het strafrechtelijke traject verbonden executoriale voordelen die gepaard gaan met de schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr) een rol spelen, evenals de Voorschotregeling. Dat geeft immers de zekerheid dat er wat geld in het laatje komt. Maar ‘is that all there is’? We betwijfelen het ten sterkste. Volgens ons is er veel meer aan de hand en gaat het om – om met Frits Bakker in eigentijdse termen te spreken – ‘maatschappelijk effectieve rechtspraak’.

Oftewel: de schadevergoedingsvordering beweegt zich in toenemende mate van het civiele naar het strafrechtelijke vlak vanwege de laagdrempeligheid van de voeging. Maar ook het publiek(rechtelijk)e karakter van de strafprocedure en de verwachtingen in de zin van procedurele rechtvaardigheid en boetedoening die de benadeelde daaraan verbindt spelen een rol.. Dat sluit aan op het door civilisten gesignaleerde handhavingstekort waarvan sprake zou zijn binnen het aansprakelijkheidsrecht en de gedachte van ‘effectuerende vergoeding’. Het gaat om meer dan geld, zoveel is duidelijk. Maar hoe dat ‘meer’ te vertalen in het recht, blijven we dan in het strafrechtelijk spoor, of stellen we het profiel van de civiele procedure bij? Bijvoorbeeld door het verlagen van de bewijslast en het toekennen van executoriale voordelen á la schadevergoedingsmaatregel? Zo’n profielwissel is in een zodanig ‘verzuild’ systeem als het Nederlandse niet eenvoudig te maken. Maar waar voldoende aanleiding is, is een weg.

En die aanleiding is er, dat is te proeven uit het door ons onlangs afgeronde onderzoek. Weliswaar blijkt daaruit niet klip en klaar dat schadevergoeding al in brede kring als publiek(rechtelijk) correctief wordt beschouwd, maar in de interviews die we hebben afgenomen en de strafzaken die we hebben bestudeerd liggen voldoende tekenen die erop wijzen dat het om meer gaat dan geld. Steun voor die observatie ligt ook in de uitkomsten van eerder slachtoffergerelateerd onderzoek. Ook die wijzen uit dat slachtoffers belang hechten aan schadevergoeding voor strafbare feiten, en benadrukken de samenhang met de te ervaren legitimiteit van de afdoening. Bovendien, als we dan maar even ‘doorschakelen’, lijkt ook het EHRM in haar jurisprudentie over de positieve verplichtingen in toenemende mate belang te hechten aan het van staatswege bieden van adequate voorzieningen tot vergoeding van schade berokkend door verdragsschendingen binnen horizontale verhoudingen. Ook dat past in een beweging naar ‘maatschappelijk effectieve rechtspraak’, ofwel een rechtspraak die oog heeft voor de onderliggende problematiek, met daarin gelegen individuele conficten en noodzaak tot herstel van (rechts)betrekkingen. Schadevergoeding maakt deel uit van het juridisch instrumentarium dat daaraan kan bijdragen en draagt bij aan de legitimiteit van het rechterlijk oordeel.

We weten het, we struinen hier met zevenmijlslaarzen door het complexe vraagstuk van de aansprakelijkheid voor schade door strafbare feiten en dat past slecht in het doorgaans bedachtzame profiel van de jurist. Maar het landschap is aan verandering onderhevig en hoewel er nog geen sprake is van een kantelpunt, tekenen de contouren van een omslag in het denken over ‘tort & crime’ en de daaraan verbonden betekenis van het schadeverhaal zich wel steeds duidelijker af aan de horizon. Wij denken vanuit Ucall mee vooruit en verlustigen onszelf alvast aan mooie vergezichten, waarvan de omtrekken duidelijk worden in een reeks van recente onderzoeken, waaronder die van ons.

Renée Kool & Jessy Emaus