Vindt Nederland het redelijk dat de Staat de schade van politie-invallen draagt?

In de zaak Staat/Wherestad centraal lag de vraag voor of de schade aan woningen van verhuurder Wherestad, veroorzaakt door strafvorderlijk optreden van de politie, buiten het normaal maatschappelijke risico (het normale bedrijfsrisico) van die verhuurder viel. Door Hof en Hoge Raad wordt ‘het naar maatschappelijke opvattingen redelijk geacht dat de Staat de schade draagt die aan derden (buitenstaanders) wordt toegebracht bij een politie-inval in het kader van een strafvorderlijke opsporingsonderzoek.’ De Hoge Raad benut een maatschappelijke opvatting als bouwsteen voor zijn juridisch oordeel zonder daarbij die maatschappelijke opvatting ook nog empirisch te funderen. Wij zette een vragenlijst uit om deze vraag nader te beantwoorden. In deze blog gaan wij in op de opvatting van ‘de maatschappij’ over normaal maatschappelijk risico, zoals dat bleek uit ons empirisch onderzoek, en op de vraag of dat dan strookt met de invulling die het hof (en de Hoge Raad, doordat deze het Hof niet corrigeert) daaraan gegeven hebben.

In de zaak Staat/Wherestad werd bij (rechtmatige) politie-invallen in twee huurwoningen aan voordeur en keukens schade toegebracht die enkele duizenden euro’s bedroeg. Hof Amsterdam oordeelde dat de Staat deze schade diende te vergoeden, want deze schade behoorde niet tot ‘het normale maatschappelijke risico’ of het ‘normale bedrijfsrisico’ van de verhuurder. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en voegt nog toe dat de omstandigheid dat Wherestad een grootschalige bedrijfsmatige verhuurder is, het hof geenszins van zijn oordeel behoefde te weerhouden, eens te minder nu het hof, niet onbegrijpelijk, van oordeel was dat het hier geen geringe schade betrof.

Het gaat in deze materie om schade die – soms betrekkelijk onvermijdelijk – wordt toegebracht bij politie-invallen. Op zoek naar een verdachte of bewijs tegen een verdachte, kan de politie, mits in overeenstemming met de regels van het Wetboek van Strafvordering en dus rechtmatig, een huiszoeking verrichten. Daarbij wordt vaak de deur open gebeukt (om het verassingseffect niet te verliezen) en wordt er ook anderszins schade veroorzaakt. Soms wordt die schade niet toegebracht aan de  (gewezen) verdachte, maar gaat het om (dan onevenredig) nadeel voor een buitenstaander, een derde. Zoals, in de zaak Staat/Wherestad, de verhuurder van de woning van de verdachte.

Het kader en de omstandigheden van het geval

In de zaak Staat/Lavrijsen werd al door de Hoge Raad bepaald dat als in het kader van een rechtmatige huiszoeking een derde (in dit geval de huurder) schade oploopt, het enkele feit dat een huiszoeking rechtmatig is, niet in de weg staat aan het oordeel dat de daarbij toegebrachte schade onrechtmatig is. Onder omstandigheden bestaat aldus een recht op schadevergoeding. Het gaat in deze gevallen om aansprakelijkheid voor een zogenoemde ‘rechtmatige daad’. Conform het (ongeschreven) gelijkheidsbeginsel behoren burgers en bedrijven gelijk te zijn als het gaat om het dragen van openbare lasten (l’égalité devant les charges publiques). Als een overheidsmaatregel die in het publieke belang genomen is (en rechtmatig is), een groep burgers of bedrijven onevenredig treft, en deze schade niet behoort tot het normale maatschappelijk risico dat eenieder zelf te dragen heeft, bestaat er op grond van deze schending van het gelijkheidsbeginsel een recht op schadevergoeding.

Of een bepaalde schade buiten het normale maatschappelijke risico of bedrijfsrisico valt, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Uit het Huiszoeking-arrest blijkt dat bij de bepaling van wat het normale maatschappelijke risico inhoudt, van belang zijn “de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade”. Het normaal maatschappelijk risico wordt aldus gepresenteerd als ‘een vindplaats van gezichtspunten en argumenten, die elkaar afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval soms versterken en soms verzwakken’, aldus annotator B.P.M. van Ravels. Voor zover het gaat om strafvorderlijk optreden waarvan de gevolgen een ander dan de verdachte treffen, kan volgens de Hoge Raad als uitgangspunt worden gehanteerd dat “in het algemeen enig ongemak of gering tijdverlies niet als onevenredig kan worden aangemerkt en dat men dit zal moeten aanvaarden als vallend binnen het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico, maar dat dit niet zonder meer zal kunnen worden gezegd indien zaken van die ander als gevolg van dit optreden worden beschadigd”.

Empirisch onderzoek: is het redelijk?

De koers die de Hoge Raad heeft gekozen, te weten het uitgangspunt dat het redelijk is dat de Staat de schade draagt die aan derden wordt toegebracht bij een politie-inval in het kader van een strafvorderlijke opsporingsonderzoek, is blijkens ons empirisch onderzoek conform de (gemiddelde) opvatting van de 1000+ respondenten  en is volgens de meerderheid van de respondenten juist (zie hieronder, fig. 1).

Hoewel de koers van de Hoge Raad op dit algemene punt gevolgd wordt door de maatschappij (of vice versa natuurlijk), en dat natuurlijk fraai te noemen is, is dat minder het geval ten aanzien van de opvatting van de Hoge Raad over het belang van de omvang en aard van de partij die schade stelt te hebben geleden. Uit de respons op de vragen waarin werd gedifferentieerd naar de aard van verhuurder (verhuurders van sociale huurwoningen of van commerciële woningen), zien wij nauwelijks verschil bij de respondenten. De impliciete opvatting van de Hoge Raad dat dit een van de van belang zijnde omstandigheden zou kunnen zijn voor het bepalen van het normaal maatschappelijk risico wordt door ‘de Nederlander’, indien als zelfstandige omstandigheid beoordeeld, niet als voldoende doorslaggevend geacht voor een ander oordeel (zie hieronder, fig. 2).

Blijkbaar is de achtergrond van de verhuurder niet van belang. Dat is ook wel begrijpelijk, want schade is schade, en die is lastig te voorzien en te voorkomen in dit type gevallen, zo lijkt de redenering te zijn. Dat geldt net zozeer als je commercieel verhuurder bent als wanneer je sociale woningen verhuurt. Dat de Hoge Raad ook nogal impliciet is in zijn gedachte dat er wellicht wel een verschil te maken is, en zich in zekere zin niet eens duidelijk uitspreekt hierover, is tegen deze achtergrond ook wel passend.

Conclusie: niet allesbepalend

Dat de algemene koers van de Hoge Raad, zoals we zagen, wordt ondersteund door de ‘maatschappij’, is prettig maar uiteraard niet meteen bepalend voor de vraag of het oordeel van de Hoge Raad ook ‘juist’ is. Er kunnen – dat geldt in zijn algemeenheid bij de wisselwerking tussen empirie en het recht, en dus ook hier  – additionele, misschien wel belangrijkere normatieve gronden zijn om de gekozen lijn aan te houden. Dat is hier onzes inziens het geval. Immers, een andere oplossing dan die welke gekozen werd in dit arrest betekent dat we de rekening van de schade door politie-invallen uiteindelijk neerleggen bij de sociale verhuurders, met als gevolg dat deze de kosten daarvan moeten verdisconteren in hun huurprijzen, hetgeen een verhoging betekenen zal van de huurprijs voor de sociaaleconomisch toch al zwakkere groepen in de samenleving. Dit is niet aanstonds aantrekkelijk. Het lijkt evenwichtiger om de rekening dan via de staat bij de samenleving als geheel neer te leggen. We zeggen het hier A-G Spier na, die hierop al gewezen heeft in zijn conclusie voor het arrest Staat/Wherestad.

Dit blog is mede geschreven door prof. Ivo Giesen. Ivo Giesen is hoogleraar Privaatrecht, in het bijzonder aansprakelijkheidsrecht en burgerlijk procesrecht, en hoofd van het Departement Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht.

Dit blog is onderdeel van een kort symposium over de nieuwe Ucall-bundel ‘Opvattingen onderzoeken’. In komende blogs gaan verschillende auteurs verder in op hun bijdrage aan de bundel.