Domestic criminal accountability for Dutch corporations profiting from North Korean forced labour

I was recently invited as a legal expert to reflect on the potential for accountability of Dutch corporations profiting from the labour exploitation of North Korean workers abroad. Already in 2016, a team led by Remco Breuker, professor of Korean Studies at Leiden University, had issued a report detailing the appalling (forced) labour conditions in which North Koreans work in Europe. This happens in particular in Poland where they are forced to work on shipyards and have to hand most of their wages to the North Korean government. Apparently, North Korea ‘trafficks’ these workers to Poland for self-enrichment purposes. In the wake of this report, investigative work sponsored by the Why? Foundation exposed how various corporations and governments are complicit in these abuses (this work resulted in a documentary, Dollar Heroes, more information can be found here). On that basis, Breuker’s research team produced a follow-up report, released on 6 February 2018, which highlighted the involvement of Dutch corporations, notably as buyers of ships made by North Koreans in Poland. In this post, I explain on what grounds these corporations could be held to account under Dutch criminal law, and in particular how Dutch jurisdiction could be established over them. Lees verder

Changing the Causation Requirement: its Impact on Defendant Companies

The possible success for claimants of a (mass) tort claim against a defendant company often depends on the causation requirement in Article 6:162 or Article 6:74 Dutch Civil Code (hence: CC) being fulfilled or not. Traditionally, this was a useful legal instrument for defendants to have claims dismissed, thereby keeping the floodgates of liability shut. However, in our current globalizing world (multinational) companies are confronted with causation requirements that differ from country to country and even within countries, at least in the Netherlands, depending on the factual situation. In the Netherlands, as elsewhere (for a comparative overview: S. Steel, Proof of causation in tort law, Cambridge University Press 2015), the traditional requirement of condicio sine qua non (CSQN) to establish liability has been relaxed to a large degree, either from a substantive and/or from a procedural (evidential) angle, with case law making exceptions to the rule on a case by case basis, without there being a generally applicable justification that firmly underpins these exceptions. Since there is as yet no ‘one-size-fits-all EU causation’ either, a company that has its business in multiple European countries is faced with different types of causation requirements per country and within a country. This means that the causation requirement has lost a great deal of its attractiveness for i.e. businesses over the years. The aim of this Blogpost is to highlight the possible consequences of the lack of a general justification for many of the individual changes (i.e. relaxations) in the causation requirement that facilitate the establishment of liability under Dutch tort law in our modern day and age.  Lees verder

Verplichtingen van bedrijven bij klimaatverandering

Op dinsdag 23 januari 2018 werden, in navolging van de presentatie op 18 januari in Amsterdam, de ‘Principles on Climate Obligations of Enterprises’ (hierna: principles) gepresenteerd in Londen. De principles zijn een follow-up van de Oslo-principles die de verplichtingen van staten ten aanzien van klimaatverandering in kaart brengen, waarover Giesen reeds een blog schreef. De principles zijn opgesteld door ‘the Expert Group on Climate Obligations of Enterprises’, bestaande uit experts op het gebied van het internationale recht, het aansprakelijkheidsrecht, het milieurecht, het ondernemingsrecht en mensenrechten. Het project is geïnitieerd door Jaap Spier. Hij stelde tevens de principles en het daarbij behorende commentaar op. Deze blog behandelt het doel van de principles, de belangrijkste verplichtingen en hun juridische status en legitimiteit. Voor een meer gedetailleerde verhandeling van deze en andere thema’s wordt het lezen van de principles, die open access zijn gepubliceerd, van harte aanbevolen. Lees verder

Strafvervolging gemeente Stichtse Vecht: laatste woord hierover nog niet gezegd

Op 31 oktober 2017 deed A-G Machielse een voordracht tot cassatie in het belang der wet van het vonnis in de zaak Stichtse Vecht. In deze zaak ging het om een nalaten van de gemeente om een weg te onderhouden en om de nodige verkeersmaatregelen te nemen. Daardoor was sprake van een gevaarlijke wegsituatie die heeft geleid tot een ongeval waarbij een motorrijdster en haar duopassagier de dood vonden. De strafvervolging leidde weliswaar tot een veroordeling in verband met het nalaten de nodige verkeersmaatregelen te nemen, maar daarna is er cassatie in het belang der wet ingesteld. In zijn conclusie betoogt A-G Machielse dat de tenlastegelegde feiten naar hun aard, en gelet op het wettelijk systeem, rechtens enkel door gemeentelijke functionarissen kunnen worden verricht. Vervolging van individuele ambtenaren behoorde, gelet op de ‘collectieve aard van de fout’, niet tot de mogelijkheden. Wanneer de zienswijze van Machielse wordt gevolgd, heeft dit tot gevolg dat de officier van justitie niet ontvankelijk had moeten worden verklaard. In de literatuur is echter betoogd dat met een Straatburgse bril een dergelijke uitkomst niet aanvaardbaar is (zie bijvoorbeeld Alkema NJ 2005/210, Barkhuysen & Van Emmerik 2005, p. 88; Van den Munckhoff 2008, p. 577; Rijnhout, Sikkema & De Zanger 2014, p. 20). In deze blog wordt nagegaan of dat daadwerkelijk het geval is, en zo ja, waar een mogelijke oplossing van het probleem ligt. Lees verder

Een uniforme nadeelcompensatieregeling in de Awb: het blijft een aantrekkelijke gedachte!

In 1993 kwalificeerde Peter van Buuren het idee van een wettelijke regeling van nadeelcompensatie in de Awb als een “aantrekkelijke gedachte”. Naar zijn mening was het leerstuk van schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad op dat moment al voldoende ontwikkeld om een voorstel te doen voor een wettelijke regeling van nadeelcompensatie in de Awb ( P.J.J van Buuren, ‘Nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht’, in: J.L. Boxum (red.), Aantrekkelijke gedachten: beschouwen over de Algemene wet bestuursrecht (Scheltemabundel), Deventer: Kluwer 1993, p. 91-108). Inmiddels voorziet de Wet nadeelcompensatie in een regeling voor nadeelcompensatie in titel 4.5 van de Awb. Deze wet is echter nog niet in werking getreden, hoewel het alweer vijf jaar geleden is dat de wet in het Staatsblad werd gepubliceerd (Stb. 2013/50).  Een lustrum dus, maar het is de vraag of er iets te vieren valt. Lees verder

Voordeelsontneming na de modernisering van het Wetboek van Strafvordering – een eerste inventarisatie

Op 5 december 2017 zijn de nieuwe plannen ter modernisering van het Wetboek van Strafvordering gepresenteerd. Daarbij gingen de conceptwetsvoorstellen van de voorgestelde Boeken 3 tot en met 6 in consultatie. Veel onderdelen van het strafprocesrecht zullen worden aangepast als gevolg van deze grootscheepse moderniseringsoperatie. Dat geldt ook voor de aanpak van met misdaad verkregen vermogen. In Boek 6 worden voorstellen gedaan om het proces ter ‘ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel’ te herzien. Hiermee worden enkele praktische knelpunten weggenomen en wordt gehoor gegeven aan kritiek in de literatuur. De voorstellen roepen wel vragen op over de uiteindelijke wettelijke regeling. Lees verder

Inzetten op schade voorkomen

Schade voorkomen is beter dan schade vergoeden, in alle opzichten. Een schadeveroorzakend feit leidt immers tot onomkeerbare gevolgen, die met schadevergoeding niet worden teruggedraaid. Bovendien is schadevergoeding voor de één, financieel verlies voor de ander; schadevergoeding is louter schadeverplaatsing. Schade voorkomen heeft werkelijk zin. Daarop zouden de politiek en de rechtspraktijk moeten inzetten. Dat is de boodschap van een boek dat ik in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu schreef in het kader van het programma Bewust Omgaan met Veiligheid. Het ligt momenteel bij de Eerste en Tweede Kamer (zie Kamerstukken) en is deze week als nr. 11 in de Ucall-reeks verschenen. Lees verder

Shared obligations and shared responsibility in international law

On 2 November 2017, Natasa Nedeski successfully defended her PhD on ‘shared obligations in international law’ at the University of Amsterdam (UvA). I had the honour of being a member of the reading committee. Nedeski happens to be a former bachelor student of us at Utrecht University (UU). She also pursued an LL.M. in Public International Law at UU, and was a junior lecturer at UU. She subsequently joined Prof. André Nollkaemper’s project on shared responsibility, of which this thesis on shared obligations is one of the outcomes.  In this post, I describe and commend the main findings of Nedeski’s thesis. Lees verder

Naar een prejudiciële procedure in het strafrecht

In het kader van de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering is voorzien in invoering van een prejudiciële procedure in het strafrecht (Kamerstukken II 2016/17, 29279, 372, p. 5). Een prejudiciële procedure is een middel om de feitenrechter die in een zaak op een rechtsvraag stuit, in de gelegenheid te stellen versneld een antwoord van de Hoge Raad te verkrijgen. Vervolgens kan de feitenrechter dat antwoord van de Hoge Raad gebruiken om de zaak af te doen. De Hoge Raad wordt zo eerder betrokken in de procedure en hoeft er niet te worden gewacht op een reguliere cassatieprocedure, die bovendien door verdediging en/of Openbaar Ministerie moet worden ingesteld. Een dergelijke prejudiciële procedure is in 2012 ingevoerd in het civiele recht en in 2016 in het fiscale recht. In opdracht van het WODC hebben wij onderzocht of het mogelijk is om ook in het strafrecht een prejudiciële procedure in te voeren en, zo ja, onder welke omstandigheden (zie I. Giesen & F.G.H. Kristen e.a., De Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 233-359).

Door François Kristen en Eelke Sikkema Lees verder

Diplomatieke immuniteit voor uitbuiting van huispersoneel?

De uitbuiting van huishoudelijk personeel door diplomaten is een oud zeer, ook in Nederland. De Volkskrant schreef vorig jaar dat bij het ministerie van Buitenlandse Zaken de afgelopen vijf jaar 26 particuliere bedienden van diplomaten geaccrediteerd in Nederland melding hadden gemaakt van uitbuiting. Het ging daarbij om onderbetaling, slechte arbeidsomstandigheden en ongewenste omgangsvormen. Tot nu toe ging men ervan uit dat die diplomaten op basis van het internationaal recht immuniteit genieten. Dat wil zeggen dat ze niet voor de nationale rechter kunnen worden gedaagd van de staat waar ze geaccrediteerd zijn. Deze immuniteit – die de facto vaak op straffeloosheid neerkomt – werkt misbruik in de hand. Lees verder