Categorie archief: Aansprakelijkheid en Schadevergoeding na Misdrijf

Strafrechtelijke schadeverhaal: een vordering sui generis

Onlangs verscheen het rapport van de commissie Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten (hierna: de commissie Donner). Daarin schetst de commissie de contouren van het bestaande schadestelsel, inclusief het strafrechtelijk schadeverhaal. De voorstellen zijn doordacht, maar conservatief: het slachtoffer dat ‘op verhaal komt’ bij de commissie Donner komt van een koude kermis thuis. Volgens de commissie vormt schade als gevolg van strafbare feiten één van de vele sociale risico’s die zijn verbonden aan het menselijk samenleven, en die particuliere risico’s kunnen niet worden afgewenteld op de rechtsgemeenschap. Uitgangspunt moet volgens de commissie zijn dat het slachtoffer schade als gevolg van een strafbaar feit zelf verhaalt op de dader; of, als dat niet lukt, probeert compensatie te krijgen via de algemene voorziening van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Als ook dat onvoldoende oplevert, rest het slachtoffer niets anders dan de schade te dragen. In dit blog bespreek ik het standpunt van de commissie, tegen de achtergrond van het strafrechtelijk schadeverhaal.

Lees verder

Ontoerekeningsvatbaarheid – wat is daar het criterium voor?

De ontoerekeningsvatbaarheid geldt als een van de meest bediscussieerde thema’s in het strafrecht. Zo leidde de Noorse casus van Anders Breivik – was hij nu wel of niet toerekeningsvatbaar? – tot veel debat. Ook in Nederland zijn er geregeld zaken waarin juist de vraag rond de toerekeningsvatbaarheid de gemoederen bezig houdt. Een voorbeeld is de zaak Bart van U., die zijn eigen zus en ook oud-minister van Volksgezondheid Els Borst om het leven bracht. En op dit moment loopt de zaak van Thijs H., waarbij gedragskundigen van het Pieter Baan Centrum aan de rechtbank adviseerden om aan de verdachte de feiten in het geheel niet toe te rekenen, terwijl de rechter oordeelde dat de feiten in verminderde mate konden worden toegerekend. De discussie gaat echter niet alleen om individuele zaken, maar ook om de toerekeningsvatbaarheid zelf. In deze bijdrage bespreek ik een belangrijk discussiepunt, zeker ook voor Nederland: wat is het criterium voor ontoerekeningsvatbaarheid?

Lees verder

Toeslagen en tbs: de ongemakkelijke realiteit van valspositieven

Een onrechtvaardigheid die de toeslagenaffaire aan het licht bracht was dat sommige groepen ouders zo streng werden gecontroleerd op fraude dat het voor hen vrijwel onmogelijk was hun onschuld aan te tonen. Met hard optreden kunnen veel frauders worden gepakt, maar het verhoogt tegelijkertijd het risico op het treffen van onschuldigen (valspositieven). De affaire legt daarmee een dilemma bloot dat op meer juridische terreinen speelt en dat in het bijzonder knelt op het terrein van de oplegging van tbs. Tbs wordt opgelegd om recidive te voorkomen. Recidive is echter moeilijk te voorspellen. Dat betekent dat een relatief grote groep tbs-gestelden in feite niet zal recidiveren (valspositieven), maar dus wel vastzit. Hoe moet daarmee worden omgaan?

Lees verder

Extraterritorial liability for corrupt practices

On 13 June 2019, I was invited to speak in The Hague at the book launch of the new Commentary on the UN Convention against Corruption (Oxford University Press 2019, edited by Cecily Rose et al.). For this book, Friederycke Haijer and I (both Ucall) wrote a commentary to the jurisdictional article of the Convention (Article 42 UNCAC). At the launch, I addressed the question whether a state could hold a person liable for ‘extraterritorial’ corrupt practices – practices that largely take place outside the regulating state. I argue that, in principle, it can do so, but that extraterritorial liability is not limitless. Especially expansive US enforcement practices, which are based on only a tenuous US connection, may amount to jurisdictional overreach.   Lees verder

Challenges of universal jurisdiction: the Argentinian Complaint against Franco-era crimes and the lack of cooperation of the Spanish judicial authorities

In October 2018, the Central Criminal Court of the Spanish National Court (Audiencia Nacional) rejected the admission of two international rogatory commissions requested by the Argentinian courts in relation to the investigation of crimes against humanity. The alleged crimes relate to torture, murder, forced disappearance of persons and abduction of minors committed in Spain during the Francoist regime in the period between 15 July 1936 and 15 June 1977. These crimes are being investigated in Argentina under the principle of universal jurisdiction. This post analyses the legal arguments posed by the judicial authorities in Argentina and Spain to admit or reject the investigation into crimes against humanity committed during Franco’s dictatorship. Lees verder

Neurorecht. Kan toerekeningsvatbaarheid worden vastgesteld met een hersenscan?

Onlangs gaf de Noorse forensisch psychiater Terje Tørrissen in Nederland een lezing. Hij was een van de vier psychiaters die Anders Behring Breivik, verantwoordelijk voor de dodelijke aanslagen in Noorwegen in 2011, voor de rechtbank onderzocht. In het NRC van 22 maart j.l. vertelt hij over de uitdagingen waarvoor hij als rapporterend psychiater kwam te staan. In dat interview lezen we ook dat Breivik weigerde mee te werken aan het maken van een hersenscan (een MRI-scan). Blijkbaar ging men ervan uit dat een MRI-scan van belang zou kunnen zijn bij een psychiatrisch onderzoek voor de rechtbank. Maar wat is eigenlijk de waarde van zo’n scan voor een forensische rapportage door een psychiater? Als we deze vraag stellen – en serieus onderzoeken – dan betreden we het terrein van het neurorecht. Wat is neurorecht?  Lees verder

De ‘forensische scherpte’ van Père Ubu? Het OVV-rapport Forensische Zorg en Veiligheid en de forensisch zorgverlener als risicobeperker

Naar aanleiding van de casus Michael P. heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) op 28 maart 2019 een rapport uitgebracht over de wijze waarop plegers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven worden voorbereid op hun mogelijke terugkeer in de samenleving vanuit de zorgverlening binnen Penitentiaire Psychiatrische Centra (PPC’s) en Forensisch Psychiatrische Afdelingen (FPA’s). Dit rapport heeft geleid tot een stevig debat in de Tweede Kamer, waarin stellige uitspraken zijn gedaan over de status van de forensische zorg als zodanig. Bovendien lijkt het rapport toch wel erg aan te sturen op de noodzaak van een kentering in de taakopvatting binnen de forensische zorg. Vanuit een zorgdominante taakopvatting moet de forensische zorg zich volgens het rapport gaan heroriënteren op risicobeperking. Deze noodzaak wordt al sinds enige tijd ook sterk onderschreven door de politiek, getuige bijvoorbeeld de volledige inwerkingtreding van de Wet Langdurig Toezicht op 1 januari 2018, waarmee het onder meer mogelijk is om plegers van zware gewelds- en zedendelicten levenslang te laten monitoren door, met name, forensische instanties. In dit blog beoog ik een – opiniërende – analyse te geven van dit vertoog ten aanzien van deze opgevatte politieke noodzaak van een kentering in de taakopvatting binnen de forensische zorgverlening. Lees verder

Seksueel misbruik: iedereen verantwoordelijk?

Onlangs nam de Tweede Kamer een aantal moties aan betrekking hebbende op de bestrijding van seksueel misbruik van minderjarigen. Het wensenlijstje is breed. Zo dient onderzocht te worden of het wenselijk is om de bestaande aangifteplicht te verbreden, moet worden bekeken hoe organisaties organisaties strafrechtelijk aansprakelijk  kunnen worden gesteld voor het niet melden of niet doen van aangifte van seksueel misbruik binnen de eigen kring en dient te worden gerapporteerd over de invloed van patronen, (kerk)regels, gebruiken en structuren binnen de gemeenschap van Jehova’s op de aangiftebereidheid. Naast de wens om de bestrijding seksueel misbruik te bevorderen, klinkt ook een roep om aansprakelijkheidstelling door. En wel jegens bestuurders die seksueel misbruik binnen eigen kring negeerden, dan wel intern sanctioneerden om imagoschade te voorkomen. Lees verder

Beelden van een ongeluk horen NIET thuis op sociale media

De campagne van het Rode Kruis

Beelden van een ongeluk horen NIET thuis op sociale media

Op 6 november jl. lanceerde het Rode Kruis de champagne Niet filmen, maar helpen!. ‘Een ongeluk is geen foto- of videomoment’ luidt de boodschap. De campagnefilm van het Rode Kruis lijkt – hoewel minder confronterend – te zijn geïnspireerd op de Duitse campagnefilm #SeiKeinGaffer. Zoals de naam van de campagne van het Rode Kruis al doet vermoeden, richt de campagne zich tot toeschouwers van ongelukken die een noodsituatie met hun mobiele telefoon filmen of op een andere wijze vastleggen. Je kunt de tijd die je gebruikt om te filmen ook inzetten om 112 te bellen en eerste hulp te verlenen, want juist dat is in die eerste minuten na een ongeluk van levensbelang, aldus het hoofd Nationale Hulp van het Rode Kruis. Hij vervolgt: Tegelijkertijd kan het filmen enorme impact hebben op degene die je op beeld zet. Dit is iets om rekening mee te houden. Lees verder

Houston, we have a problem. Over de transactie die het Openbaar Ministerie aanging met ING

Op dinsdag 4 september jongstleden werd bekend dat ING Bank een transactie is aangegaan waarmee strafvervolging in het onderzoek genaamd ‘Houston’ wordt afgekocht. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) verdacht de grootste bank van Nederland van schending van verschillende bepalingen van de Wet ter bestrijding van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) en schuldwitwassen. Simpel gezegd komt het erop neer dat de bank zich onvoldoende zou hebben ingezet om witwassen door de bank te voorkomen. Met de transactie is het voor Nederland ongekend hoge bedrag van €775 miljoen gemoeid, waarvan 100 miljoen is bedoeld ter ontneming van het door de bank verkregen financiële voordeel. De transactie en het daarbij gevoegde feitenrelaas zijn openbaar beschikbaar. Deze omvangrijke transactie past in een al langer levende trend, waartegen weerstand bestaat. Ondanks deze bezwaren worden door de wetgever vooralsnog geen wijzigingen voorgesteld in de regelgeving en praktijk van dergelijke ‘schikkingen’. De modernisering van het Wetboek van Strafvordering lijkt hiervoor een geschikt moment. 
Lees verder