Aansprakelijkheid voor gebrekkige coronavaccins

In rap tempo wordt wereldwijd gezocht naar een goed werkend coronavaccin. Vanuit de industrie komen de signalen dat men wellicht niet alle bijwerkingen van een vaccin (nu al) kan voorzien. Dat roept de vraag op of de producenten van een coronavaccin immuniteit dient toe te komen voor eventuele (product)aansprakelijkheid. Op Europees niveau wordt inmiddels al gesproken over de afwikkeling van schadeclaims voor gebrekkige coronavaccins. Het Algemeen Dagblad berichtte onlangs dat in Europees verband reeds met enkele farmaceuten afspraken hierover zijn gemaakt. Met het risico ingehaald te worden door de ontwikkelingen, heb ik een bijdrage over deze thematiek geschreven die in aflevering 37 van het Nederlands Juristenblad verschijnt. Deze blog vormt een samenvatting van die bijdrage. In die bijdrage bespreek ik dat terughoudendheid moet worden betracht bij het accepteren van (juridische en feitelijke) immuniteit voor (product)aansprakelijkheid voor een gebrekkig coronavaccin. Een schadefonds voor slachtoffers van de bijwerkingen van een coronavaccin is daarentegen wel het overwegen waard. Een dergelijk fonds kan als neveneffect hebben dat de zorgen van de producenten over een onbeheersbaar aansprakelijkheidsrecht (deels) worden weggenomen. Daar mag echter wel een prijskaartje aanhangen.

Lees verder

Registratie van uiteindelijk belanghebbenden: de oplossing tegen witwassen en terrorismefinanciering?

Vanaf 27 september jl. moeten de gegevens van natuurlijke personen die zeggenschap kunnen uitoefenen over een rechtspersoon of personenvennootschap, of een bepaalde mate van economisch belang in zo’n entiteit hebben, worden opgenomen in een centraal register. Dit register wordt ook wel aangeduid als het UBO-register, afgeleid van de Engelse term Ultimate Beneficial Owner. Het UBO-register is onderdeel van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel. Zoals in dit blog zal blijken, is een heikel punt van het UBO-register dat een gedeelte van de gegevens daarin voor iedereen toegankelijk is.

Lees verder

De-riskende banken: Wwft-conform gedrag, of toch niet?

Bankenautoriteit: antiwitwasregels lijken doorgeslagen’, kopt het Financieel Dagblad (FD) op 3 september jongstleden. De Europese Bankenautoriteit (EBA) – de Europese toezichthouder van de banken binnen de Europese Unie – is bezorgd over de manier waarop de Nederlandse banken invulling geven aan de regels die voortvloeien uit de Europese anti-witwasrichtlijnen. Deze regels zijn in Nederland neergelegd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De EBA signaleert dat de banken bij het naleven van de Wwft-verplichtingen (groepen) klanten met een mogelijk (te) hoog risico op witwassen of terrorismefinanciering uit voorzorg de deur wijzen (de-risken). In dit blog sta ik eerst stil bij de Wwft, waarna ik inga op de-risken, gelet op het grote belang voor een onderneming om een bankrekening te hebben of te verkrijgen. In de afronding werp ik de vraag op of de-risken het doel van de anti-witwaswetgeving wel dient.

Lees verder

De Nederlandse aansprakelijkstelling van Syrië middels een diplomatieke nota: op weg naar het Internationaal Gerechtshof

Op 18 september 2020 stelde het Nederlandse kabinet Syrië middels een diplomatieke nota internationaalrechtelijk aansprakelijk voor grove mensenrechtenschendingen, in het bijzonder foltering, die door het Syrische regime sinds 2011 zouden zijn gepleegd. De Kamer werd hiervan gelijk op de hoogte gebracht. De Syrische regering reageerde afwijzend op de nota en beschuldigde Nederland er op haar beurt van op onrechtmatige wijze Syrische ‘terroristen’ te hebben gesteund. De Nederlandse actie is vermoedelijk de opmaat voor een juridische procedure tegen Syrië voor het Internationaal Gerechtshof. In deze post bespreek ik de internationale rechtsbasis en juridische implicaties van dit opmerkelijke Nederlandse optreden. Tevens verwijs ik naar enkele internationale precedenten hiervoor.

Lees verder

Onderzoek naar kenmerken van langlopende letselschadezaken

In 2019 en 2020 deden onderzoekers van UCALL onder leiding van dr. Rianka Rijnhout onderzoek naar langlopende letselschadezaken in opdracht van De Letselschade Raad. De centrale vraag was wat kenmerken zijn van letselschadedossiers die niet binnen twee jaar zijn afgesloten. De belangrijkste conclusies zijn dat er in de meeste zaken meerdere redenen zijn dat zo’n zaak nog niet is afgewikkeld na twee jaar en dat er niet één reden of omstandigheid benoemd kan worden die zich in het merendeel van de zaken voordoet. De onderzoekers doen een aantal belangrijke reflecties naar aanleiding van de kenmerken die zijn gevonden. Lees verder

Brexit by way of Switzerland: the UK, forum non conveniens and the Lugano Convention

While the corona crisis is first and foremost on everyone’s minds, negotiations on the United Kingdom’s departure (‘Brexit’) from the European Union are still ongoing. Despite the obvious need for European cooperation in the response to COVID-19, the Johnson government is determined to end the current transition period by December 31st, 2020. One of the many aspects of the negotiations is whether the UK will remain part of the EU’s regime on jurisdiction, recognition and enforcement of judgments in civil cases. According to the Financial Times, the European Commission has advised the Member States to reject the UK request to remain within that regime through accession to the Lugano Convention. This blog will set out the core rules of the Lugano regime, its impact on UK private international law and the forum non conveniens doctrine in particular, and reasons why the UK could or could not join the Lugano Convention. Lees verder

De afdoening van seksueel misbruik: rust en ruimte gevraagd

Onlangs verscheen het door Ucall onderzoekers geschreven rapport Verruiming van de aangifteplicht voor ernstige seksuele misdrijven? Onderzocht is of een verruiming van de bestaande aangifteplicht van artikel 160 Sv zou bij kunnen dragen aan een verbetering van de ontsluiting van informatie over seksueel misbruik aan de strafrechtelijke autoriteiten. De bepaling ziet enkel op de verkrachting (artikel 242 Sr), voor andere ernstige seksuele misdrijven geldt dat een ieder daarvan aangifte mag doen, maar daartoe niet is verplicht (artikel 161 Sv). De directe aanleiding voor het onderzoek was de motie Groothuizen c.s. Deze motie maakte deel uit van een aantal moties en Kamervragen die vorige jaar zomer werden ingebracht bij het parlementaire debat over de aanpak van kindermishandeling. Tegelijkertijd speelde destijds de onthulling van seksueel misbruik binnen de gemeenschap van de Jehova’s getuigen, en de weigering van het bestuur om medewerking te verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek. Dat was de aanleiding om in het onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag of de strafbaarheid van het nalaten aangifte te doen door bestuurders seksueel misbruik binnen de eigen organisatie verruimd zou dienen te worden. Die strafbaarheid is nu beperkt, want geldt op grond van artikel 136 Sr enkel voor het nalaten aangifte te doen van een voorgenomen verkrachting.  Lees verder

Het klimaatbevel van de Hoge Raad: waarom die haast en mag het wat minder?

De Nederlandse Staat en milieuvereniging Urgenda zijn het erover eens dat de opwarming van de aarde beperkt moet blijven, maar ze zijn het erover oneens hoe snel de Nederlandse broeikasgasuitstoot moet worden gereduceerd. Urgenda wil een reductie van 25% voor 2020, de Staat vindt dat te snel en te ingrijpend, en richt zich liever op zijn klimaatdoel voor 2030. Urgenda krijgt in alle drie de instanties gelijk van de rechter. Waarom vinden Urgenda en de rechters dat de Staat veel extra klimaatmaatregelen in korte tijd moeten treffen? In deze blog sta ik stil bij enkele feiten uit het Urgenda-proces die het belang van Nederland bij adequate klimaatmaatregelen onderstrepen, en leg ik uit waar de 25% norm vandaan komt.  Lees verder

State Liability for Wrongful Conduct in Extraterritorial Military Operations: the Challenge of Attribution in Jaloud v the Netherlands

Five years ago, I wrote a Ucall blogpost on the judgment of the European Court of Human Rights (ECtHR) in Jaloud v the Netherlands (2014), which concerned the 2004 death of Mr Jaloud in southern Iraq. Mr Jaloud died from gunfire at a vehicle checkpoint which was at the time under the authority and control of Dutch troops participating in the Stabilization Force in Iraq (SFIR). It is recalled that the ECtHR held that the Dutch investigation into the circumstances surrounding Jaloud’s death failed to meet the standards required by Article 2 of the European Convention on Human Rights (ECHR), and thus that the Netherlands had breached its procedural obligations regarding the right to life. The ECtHR’s judgment paved the way for further litigation regarding Jaloud’s violent death. Subsequent to the judgment, Jaloud’s father filed a civil suit against the Dutch State in the District Court of The Hague (hereafter ‘Hague District Court’), which rendered an interlocutory judgment on 20 November 2019.  Lees verder

A new mechanism for supervision of derogations from the European Convention on Human Rights: filling the accountability gap?

Article 15 of the European Convention on Human Rights (ECHR or the Convention) provides that in time of war or other public emergencies a State may derogate from most of its human rights obligations. This derogation clause grants a State a wide discretion to determine the reasons and the duration of a derogation as well as the aptness of emergency measures. The rationale is that a State is best placed to determine what constitutes a public emergency and how to restore order in its territory.

Nevertheless, such a discretionary power inherently leaves room for abuse. In the context of derogations, worrisome practices are not scarce in our present times, where crisis and emergencies (under the notions of terrorism, mass migration etc.) are pronounced lightly. In this vein, it is of pivotal importance that States’ derogation practices are exposed to strict scrutiny by international supervisory mechanisms.

At the level of the Council of Europe (CoE), the European Court of Human Rights (ECtHR or the Strasbourg Court) was the sole mechanism to exercise such a supervisory role. In addition, the Venice Commission has issued recommendations on certain derogation practices. However, it lacks the institutional mandate to engage in any meaningful supervisory function. This blog argues that the Parliamentary Assembly of the Council of Europe (PACE) has, through its Resolution 2209 (2018), established a new layer of supervision of derogation regimes by empowering the Secretary General of the CoE to actively engage with derogation practices. This blog will, first, outline why the Strasbourg Court by itself is not capable to effectively supervise states of emergency and, second, whether this gap can be filled by the enhanced role of the Secretary General of the CoE.  Lees verder