Categorie archief: Juridische Vraagstukken van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Naar een verdrag over maatschappelijk verantwoord ondernemen? Een commentaar op de eerste ontwerpversie

Op 10 juli 2018 bracht de permanente missie van Ecuador bij de Verenigde Naties een “sneuveltekst” (zero draft) uit van een juridisch bindend instrument over de impact van de activiteiten van transnationale ondernemingen op de mensenrechten. Een werkgroep van de Verenigde Naties zal de tekst nu verder bespreken. Die werkgroep had al in 2014 een mandaat gekregen voor de uitwerking van een verdrag ter zake. Een beperkte groep landen uit het Globale Zuiden onder leiding van Ecuador, gesteund door een coalitie van niet-gouvernementele organisaties, bereidde vervolgens de weg voor de sneuveltekst. Het is onwaarschijnlijk dat deze tekst ook de verdragstekst zal worden, maar hij geeft wel een duidelijke richting aan de discussies die de komende tijd zullen plaatshebben binnen de VN-werkgroep. In deze post bespreek ik kort de inhoud van de tekst en plaats ik die in het bredere debat over de verantwoordelijkheid van ondernemingen om de mensenrechten te eerbiedigen. Ik onthaal de tekst in algemene zin positief, met name omdat hij goed aansluit bij eerdere (niet-bindende) initiatieven. Niettemin zouden de opstellers van het instrument er goed aan doen de relatie tussen due diligence-verplichtingen en juridische aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten te verhelderen. Lees verder

The zero draft on a legally binding instrument on business and human rights: the challenge of jurisdiction

On 19 July 2018, the Permanent Mission of Ecuador to the United Nations released a zero draft on a legally binding instrument (LBI) – a treaty in fact – on business and human rights. This zero draft will serve as the basis for negotiations during the fourth session of an ‘Open-Ended Intergovernmental Working Group’ which will take place in Geneva between 15 and 19 October 2018. Quite a number of other posts (including Lopez in Opinio Juris and Cassel in Letters Blogatory) have been published in the wake of the release of the zero draft. None of them focuses specifically on the question of jurisdiction, however. This is remarkable, as it is difficult to escape the presence of the concept of jurisdiction in the LBI. While only one article of the LBI is specifically titled ‘jurisdiction’ (Article 5, which deals with adjudicatory jurisdiction), the term ‘jurisdiction’ also features in five other articles of the LBI. That jurisdiction is so pervasive throughout the LBI is mainly because it is such a multifaceted notion. For different lawyers, it may mean different things. The treaty would benefit from some clarity on the matter, in particular regarding the linkages between the different understandings of jurisdiction. In this post, I make some suggestions in this regard.  Lees verder

Houston, we have a problem. Over de transactie die het Openbaar Ministerie aanging met ING

Op dinsdag 4 september jongstleden werd bekend dat ING Bank een transactie is aangegaan waarmee strafvervolging in het onderzoek genaamd ‘Houston’ wordt afgekocht. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) verdacht de grootste bank van Nederland van schending van verschillende bepalingen van de Wet ter bestrijding van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) en schuldwitwassen. Simpel gezegd komt het erop neer dat de bank zich onvoldoende zou hebben ingezet om witwassen door de bank te voorkomen. Met de transactie is het voor Nederland ongekend hoge bedrag van €775 miljoen gemoeid, waarvan 100 miljoen is bedoeld ter ontneming van het door de bank verkregen financiële voordeel. De transactie en het daarbij gevoegde feitenrelaas zijn openbaar beschikbaar. Deze omvangrijke transactie past in een al langer levende trend, waartegen weerstand bestaat. Ondanks deze bezwaren worden door de wetgever vooralsnog geen wijzigingen voorgesteld in de regelgeving en praktijk van dergelijke ‘schikkingen’. De modernisering van het Wetboek van Strafvordering lijkt hiervoor een geschikt moment. 
Lees verder

Domestic criminal accountability for Dutch corporations profiting from North Korean forced labour

I was recently invited as a legal expert to reflect on the potential for accountability of Dutch corporations profiting from the labour exploitation of North Korean workers abroad. Already in 2016, a team led by Remco Breuker, professor of Korean Studies at Leiden University, had issued a report detailing the appalling (forced) labour conditions in which North Koreans work in Europe. This happens in particular in Poland where they are forced to work on shipyards and have to hand most of their wages to the North Korean government. Apparently, North Korea ‘trafficks’ these workers to Poland for self-enrichment purposes. In the wake of this report, investigative work sponsored by the Why? Foundation exposed how various corporations and governments are complicit in these abuses (this work resulted in a documentary, Dollar Heroes, more information can be found here). On that basis, Breuker’s research team produced a follow-up report, released on 6 February 2018, which highlighted the involvement of Dutch corporations, notably as buyers of ships made by North Koreans in Poland. In this post, I explain on what grounds these corporations could be held to account under Dutch criminal law, and in particular how Dutch jurisdiction could be established over them. Lees verder

Chocolade met een bittere nasmaak – De strafrechtelijke aansprakelijkheid van Nederlandse ondernemingen voor moderne slavernij

cocoa-beans-499970_960_720Chocolade uit Ivoorkust, thee uit India en garnalen uit Thailand. De kans is groot dat u deze week ten minste een van deze producten heeft genuttigd of ze in ieder geval in de supermarkt heeft zien liggen. Hoewel op de daadwerkelijke smaak van deze producten weinig aan te merken zal zijn, hebben zij wel een bittere nasmaak: de kans is namelijk groot dat zij zijn vervaardigd door de uitbuiting van volwassenen en/of kinderen, oftewel door moderne slavernij. Moderne slavernij is een ernstig en vaak grensoverschrijdend misdrijf. Het strafrechtelijk aansprakelijk stellen van ondernemingen voor moderne slavernij is echter niet vanzelfsprekend. Ook niet in Nederland. Lees verder

Risk management en uitdijende zorgplichten van de moedermaatschappij van een concern

Donderdag 12 maart 2015 vond bij het Hof te Den Haag het pleidooi plaats in de zaak die Milieudefensie met een aantal Nigerianen heeft aangespannen tegen Royal Dutch Shell (hierna: ‘RDS’) en haar Nigeriaanse dochtervennootschap SPDC omtrent de grootschalige olievervuiling in de Nigerdelta. Een interessante vraag die in deze zaak speelt, is of derden die schade lijden door bedrijfsactiviteiten van concernmaatschappijen de moedermaatschappij, in dit geval RDS, aansprakelijk kunnen houden wegens inadequaat risicobeleid.  Het is naar Nederlands recht nog niet geheel duidelijk onder welke omstandigheden een dergelijke zorgplicht kan worden aangenomen. De vordering tegen RDS moet op grond van de regels van het internationaal privaatrecht naar Nigeriaans recht worden beoordeeld omdat de gestelde onrechtmatige daad in Nigeria schadelijk heeft ingewerkt. De afwegingen van de rechtbank en mogelijk ook het Hof bieden desalniettemin inspiratie voor de ontwikkeling van aansprakelijkheid wegens inadequaat risicobeleid naar Nederlands recht. Lees verder