Categorie archief: Verantwoordelijkheid voor Mensenrechten en Internationale Verplichtingen

State Liability for Wrongful Conduct in Extraterritorial Military Operations: the Challenge of Attribution in Jaloud v the Netherlands

Five years ago, I wrote a Ucall blogpost on the judgment of the European Court of Human Rights (ECtHR) in Jaloud v the Netherlands (2014), which concerned the 2004 death of Mr Jaloud in southern Iraq. Mr Jaloud died from gunfire at a vehicle checkpoint which was at the time under the authority and control of Dutch troops participating in the Stabilization Force in Iraq (SFIR). It is recalled that the ECtHR held that the Dutch investigation into the circumstances surrounding Jaloud’s death failed to meet the standards required by Article 2 of the European Convention on Human Rights (ECHR), and thus that the Netherlands had breached its procedural obligations regarding the right to life. The ECtHR’s judgment paved the way for further litigation regarding Jaloud’s violent death. Subsequent to the judgment, Jaloud’s father filed a civil suit against the Dutch State in the District Court of The Hague (hereafter ‘Hague District Court’), which rendered an interlocutory judgment on 20 November 2019.  Lees verder

A new mechanism for supervision of derogations from the European Convention on Human Rights: filling the accountability gap?

Article 15 of the European Convention on Human Rights (ECHR or the Convention) provides that in time of war or other public emergencies a State may derogate from most of its human rights obligations. This derogation clause grants a State a wide discretion to determine the reasons and the duration of a derogation as well as the aptness of emergency measures. The rationale is that a State is best placed to determine what constitutes a public emergency and how to restore order in its territory.

Nevertheless, such a discretionary power inherently leaves room for abuse. In the context of derogations, worrisome practices are not scarce in our present times, where crisis and emergencies (under the notions of terrorism, mass migration etc.) are pronounced lightly. In this vein, it is of pivotal importance that States’ derogation practices are exposed to strict scrutiny by international supervisory mechanisms.

At the level of the Council of Europe (CoE), the European Court of Human Rights (ECtHR or the Strasbourg Court) was the sole mechanism to exercise such a supervisory role. In addition, the Venice Commission has issued recommendations on certain derogation practices. However, it lacks the institutional mandate to engage in any meaningful supervisory function. This blog argues that the Parliamentary Assembly of the Council of Europe (PACE) has, through its Resolution 2209 (2018), established a new layer of supervision of derogation regimes by empowering the Secretary General of the CoE to actively engage with derogation practices. This blog will, first, outline why the Strasbourg Court by itself is not capable to effectively supervise states of emergency and, second, whether this gap can be filled by the enhanced role of the Secretary General of the CoE.  Lees verder

Cosmopolitan extraterritoriality

On 14 September 2019, I gave a presentation on cosmopolitanism and extraterritoriality at the annual conference of the European Society of International Law in Athens, Greece (panel on extraterritoriality). In this post I restate the main points of my presentation. This post also serves as a wrap-up of two research projects which I have carried out over the last five years, partly under Ucall auspices, on extraterritoriality and global values. These projects involved in total seven PhD researchers, whom I would like to wholeheartedly thank for their contributions. Two of these researchers were affiliated with Ucall (Lucas Roorda and Friederycke Haijer). A monograph bringing together the various parts of the project is forthcoming in spring 2020, provisionally titled ‘Selfless Intervention. The Exercise of Jurisdiction in the Common Interest’ (under contract with Oxford University Press). As cramming the research results of a large project into one blogpost is quite impossible, I will paint with a broad brush, and make choices. I will start by defining cosmopolitanism, and go on to explain how common interest-based reasoning may be inscribed into existing principles of jurisdiction, in particular territoriality. The first part of the post will be conceptual, while the second part will be more practical and doctrinal. Lees verder

Challenges of universal jurisdiction: the Argentinian Complaint against Franco-era crimes and the lack of cooperation of the Spanish judicial authorities

In October 2018, the Central Criminal Court of the Spanish National Court (Audiencia Nacional) rejected the admission of two international rogatory commissions requested by the Argentinian courts in relation to the investigation of crimes against humanity. The alleged crimes relate to torture, murder, forced disappearance of persons and abduction of minors committed in Spain during the Francoist regime in the period between 15 July 1936 and 15 June 1977. These crimes are being investigated in Argentina under the principle of universal jurisdiction. This post analyses the legal arguments posed by the judicial authorities in Argentina and Spain to admit or reject the investigation into crimes against humanity committed during Franco’s dictatorship. Lees verder

Enkel niet nakomen van plicht tot prejudiciële verwijzing is onvoldoende voor vestiging staatsaansprakelijkheid

In het hier centraal gestelde KLM-arrest van de Hoge Raad komt de vraag aan de orde of enkel het niet nakomen van de plicht tot prejudiciële verwijzing voldoende is voor de vestiging van staatsaansprakelijkheid. Naar het antwoord op die vraag is in de literatuur en in de lagere rechtspraak reikhalzend uitgekeken. Wat is het antwoord van de Hoge Raad op die vraag en is dat antwoord overtuigend?  Lees verder

Hoger beroep Urgenda – Van gevaarzetting naar mensenrecht

Het Hof Den Haag heeft in het hoger beroep van het Urgenda-proces geoordeeld dat het Nederlandse klimaatbeleid onrechtmatig is en dat de Nederlandse Staat meer maatregelen moet nemen om zijn broeikasgasemissies te verminderen. Het emissiereductiegebod dat de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd blijft dus overeind, maar de grondslag voor het gebod is veranderd: volgens het hof handelt de Staat niet onrechtmatig vanwege strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, maar (reeds) vanwege strijd met artikelen 2 en 8 van het EVRM. Een wijziging van de grondslag klinkt misschien triviaal, maar heeft grote gevolgen: klimaatverandering is opeens officieel een mensenrechtenkwestie geworden. Het emissiereductiegebod van het hof is hierdoor een stuk ‘harder’ dan het gebod van de rechtbank. Bovendien stelt het hof een aantal aanvullende eisen ten opzichte van de rechtbank, waardoor de Nederlandse Staat meer en sneller zijn CO2-uitstoot moet reduceren dan eerst het geval was. In deze blog sta ik stil bij deze en enkele andere verschillen tussen het klimaatoordeel van het hof en dat van de rechtbank. 

Lees verder

Naar een verdrag over maatschappelijk verantwoord ondernemen? Een commentaar op de eerste ontwerpversie

Op 10 juli 2018 bracht de permanente missie van Ecuador bij de Verenigde Naties een “sneuveltekst” (zero draft) uit van een juridisch bindend instrument over de impact van de activiteiten van transnationale ondernemingen op de mensenrechten. Een werkgroep van de Verenigde Naties zal de tekst nu verder bespreken. Die werkgroep had al in 2014 een mandaat gekregen voor de uitwerking van een verdrag ter zake. Een beperkte groep landen uit het Globale Zuiden onder leiding van Ecuador, gesteund door een coalitie van niet-gouvernementele organisaties, bereidde vervolgens de weg voor de sneuveltekst. Het is onwaarschijnlijk dat deze tekst ook de verdragstekst zal worden, maar hij geeft wel een duidelijke richting aan de discussies die de komende tijd zullen plaatshebben binnen de VN-werkgroep. In deze post bespreek ik kort de inhoud van de tekst en plaats ik die in het bredere debat over de verantwoordelijkheid van ondernemingen om de mensenrechten te eerbiedigen. Ik onthaal de tekst in algemene zin positief, met name omdat hij goed aansluit bij eerdere (niet-bindende) initiatieven. Niettemin zouden de opstellers van het instrument er goed aan doen de relatie tussen due diligence-verplichtingen en juridische aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten te verhelderen. Lees verder

The Special Jurisdiction for Peace in Colombia: Challenges and Opportunities for Accountability

The Special Jurisdiction for Peace in Colombia (SJP) officially opened its doors on 15 March 2018. The SJP is one of the key accountability mechanisms of the Peace Agreement signed between the Government of Colombia and the Revolutionary Armed Forces of Colombia-Popular Army (FARC-EP) on 24 November 2016. In particular, the SJP is the judicial component of the Comprehensive System for Truth, Justice, Reparation and Non-Repetition, and is designed to investigate and prosecute serious violations of human rights and international humanitarian law committed during the Colombian armed conflict. To date 38 judges have been selected to sit at the SJP, 20 of the them are women. Additionally, 14 foreign judges will serve as observers. According to the Legislative Act 01 of 2017, the SJP consists of an Investigation and Indictment Unit, three Trial Chambers, and a Tribunal for Peace, which will have an Appeal’s Division serving as final instance. This article analyses some of the main features of the SJP as well as other complementary mechanisms in the quest for accountability. Lees verder

Klimaataansprakelijkheid 2.0 – Een vergelijking tussen de klimaatzaak tegen de Staat en de klimaatzaak tegen Shell

In een brief aan de directie van Shell, heeft Milieudefensie het oliebedrijf aansprakelijk gesteld voor het mede veroorzaken van gevaarlijke klimaatverandering. Als Shell niet akkoord gaat met de voorgestelde klimaatmaatregelen, stapt Milieudefensie naar de rechter. Mocht het aankomen op een rechtszaak, dan is het voor het eerst dat een belangenorganisatie probeert het klimaatbeleid van een onderneming te veranderen met behulp van een rechterlijk gebod. Eerder, in de welbekende klimaatrechtszaak van stichting Urgenda tegen de Nederlandse Staat, werd de gebodsactie al succesvol ingezet om verdergaande klimaatmaatregelen af te dwingen bij de overheid. Klimaataansprakelijkheid van ondernemingen is een andere tak van sport dan klimaataansprakelijkheid van overheden, maar er zijn ook interessante parallellen. Deze blog staat stil bij de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen het Urgenda-proces en de klimaatzaak tegen Shell. Daarnaast schetst deze bijdrage in vogelvlucht het juridisch kader van klimaataansprakelijkheid. Lees verder

Het Stichtse Vecht-arrest: duidelijkheid over immuniteit?

Op 29 januari jl. verscheen een blog naar aanleiding van de voordracht tot cassatie in het belang der wet van het vonnis in de zaak Stichtse Vecht door A-G Machielse. Hij betoogde dat de rechtbank de officier van justitie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging van de gemeente. Er zou hier namelijk sprake zijn van een exclusieve bestuurstaak in de zin van het Pikmeer II-arrest, en dus van strafrechtelijke immuniteit van de gemeente. In het hiervoor genoemde blog is uiteengezet dat het criterium van de exclusieve bestuurstaak ruimte laat voor uiteenlopende interpretaties. Daarnaast is verdedigd dat het kwestieus is of de uitsluiting van de vervolgbaarheid van de overheid in een zaak als deze wel houdbaar is. Inmiddels heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan en het vonnis deels vernietigd. Geeft het arrest van de Hoge Raad meer duidelijkheid over het exclusieve bestuurstaak-criterium? En hoe kunnen de overwegingen over dit criterium vanuit EVRM-optiek worden beoordeeld? 

Door Eelke Sikkema en Ellen Gijselaar Lees verder