Categorie archief: Opvattingen onderzoeken

Een sociale genese van rechterlijke beslissingen

In de literatuur wordt beschreven hoe rechterlijke uitspraken maatschappelijke ontwikkelingen beïnvloeden of die zelfs zouden veroorzaken. De rechtszaal zou zo steeds meer verworden tot een arena voor maatschappelijk debat. Deze ontwikkeling brengt verschillende vragen met zich. Is de rechtszaal bijvoorbeeld wel de juiste plek om een maatschappelijk debat te voeren, en is het wel aan de rechter om de maatschappij vorm en richting te geven. Voor de theorievorming die nodig is om dat soort (normatieve) vragen te beantwoorden, is empirisch onderzoek cruciaal. Hoe is het immers mogelijk om het werk van rechters te beoordelen, zonder te weten hóe rechters te werk gaan wanneer een uitspraak mogelijk een bredere maatschappelijke betekenis heeft? In dit blogbericht neem ik een voorschot op dergelijk juridisch-empirisch onderzoek. Aan de hand van rechtssociologische inzichten schets ik hoe de ontwikkeling van rechterlijke instanties tot ‘courts as arena’s for societal change’ geduid kan worden als een wisselwerking tussen de sociale werking en de sociale genese van het recht.

Lees verder

Opvattingen onderzoeken: hoe verder?

Dit is de laatste bijdrage in de reeks blogs over de bundel ‘Opvattingen onderzoeken’. Daarin zoomen we uit: wij bekijken wat de al eerder gedeelde deelresultaten potentieel betekenen voor het gebruik van maatschappelijke opvattingen door de rechter. Maakt de rechter meestal een goede inschatting? Of zit hij er soms of zelfs vaak naast als het om de invulling van een maatschappelijke opvatting gaat? Wat betekenen onze deelresultaten voor het juridische concept ‘maatschappelijke opvattingen’? Hoe wenselijk is het gebruik van maatschappelijke opvattingen voor juridische oordeelsvorming eigenlijk? Moeten we afstappen van ‘de maatschappelijke opvatting’ als juridische maatstaf?

Lees verder

Wanneer worden gedragingen van natuurlijke personen aan de rechtspersoon toegerekend?

Binnen het verband van een onderneming kunnen werknemers op allerlei manieren gedragingen verrichten die onrechtmatig en zelfs strafbaar zijn. Denk aan het lozen van chemisch afval in een nabijgelegen rivier. Een vraag die in een dergelijk geval opkomt, is of ook de onderneming hierdoor onrechtmatig of strafbaar handelt en zodoende of de schade ook verhaald kan worden op de onderneming en/of straffen en maatregelen aan de onderneming kunnen worden opgelegd. Om de onderneming aansprakelijk te kunnen stellen voor de onrechtmatige daad of het strafbare feit dient de onrechtmatige gedraging van de natuurlijke persoon aan de onderneming te kunnen worden toegerekend. Voor toerekening aan de onderneming is relevant of de gedraging van de natuurlijke persoon in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de onderneming heeft te gelden. Maar wat geldt er nu in het maatschappelijk verkeer? Maakt het voor toerekening uit of de natuurlijke persoon een bestuurder is van de onderneming, behoort tot het middenmanagement, of iemand op de werkvloer is? Het is deze laatste vraag die wij voor de bundel ‘Opvattingen onderzoeken’ empirisch hebben onderzocht. 

Lees verder

Risicoverdeling in geval van gebruik van ongeschikte medische hulpmiddelen

De discussie over wie aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het gebruik van ongeschikte medische hulpmiddelen, houdt de juridische gemoederen al enkele decennia bezig. Dat is niet voor niets: het gaat om zaken waarin patiënten worden geconfronteerd met schadelijke neveneffecten van medische hulpmiddelen. Dat kan ernstige gezondheidsschade tot gevolg hebben, soms zelfs van blijvende aard. Zo ontstond in het verleden letsel als gevolg van het gebruik van voorbehoedsmiddelen, borstimplantaten, metaal-op-metaal-heupprothesen, bekkenbodemmatjes en ‘kussentjes’ die worden gebruikt om een netvliesloslating te behandelen (miragelplombe). In dit blog gaan we in op maatschappelijke opvattingen rond aansprakelijkheid voor deze schade.

Lees verder

In the name of love – In welke gevallen mogen jongeren seks hebben?

 Stel uw dochter, nichtje of buurmeisje van 15 krijgt een relatie met een jongen van 17. Ze hebben seks met elkaar. Wat vindt u hiervan? En wat vindt de wetgever hier eigenlijk van? Mag dit zomaar? Ze zijn beiden minderjarig, dus mag dit dan wel? En zou het nog uitmaken als uw dochter, nichtje of buurmeisje 14 jaar is en haar vriendje 15? Of 18? Of maakt het nog uit dat het eigenlijk helemaal niet haar vriendje is maar gewoon een jongen die ze tijdens het stappen tegen het lijf loopt? Op deze vragen is niet gemakkelijk een antwoord te geven, want wat vinden ‘we’ nog wel kunnen, en wat niet meer? Voor het boek ‘Opvattingen onderzoeken’ hebben we onderzoek gedaan naar de mening van de maatschappij over wat acceptabel is op seksueel vlak bij jongeren. In dit blog zullen we dieper ingaan op de sociaal-ethische aanvaardbaarheid van consensuele seks tussen jongeren. Lees verder

Is blootstelling aan Amerikaanse sanctiewetgeving overmacht? Een empirische toetsing van opvattingen.

Sinds enkele decennia gebruiken de Verenigde Staten (VS) economische sanctiewetgeving als een instrument van buitenlandbeleid. Deze sanctiewetgeving verbiedt bepaalde import- en exporttransacties dan wel investerings- en financieringsconstructies ten aanzien van landen die de VS politiek niet welgevallig zijn, zoals Iran en Cuba. Een aantal Amerikaanse sanctiewetten heeft een extraterritoriale dimensie, in die zin dat zij ook economische activiteiten tussen derde landen en de landen die onderhevig zijn aan sancties raken. Denk daarbij aan een handelstransactie tussen een Nederlandse vennootschap en een Cubaanse entiteit, gefaciliteerd door een Nederlandse handelsbank. In dit blog ga ik in op hoe rechter en maatschappij de gevolgen hiervan beoordelen.

Lees verder

Hangmatten en paarden: over de redelijkheid van mede-bezittersaansprakelijkheid

Zijn bezitters van een huis tegenover elkaar aansprakelijk als het huis schade toebrengt aan een van beiden? Is de bezitter van een hond aansprakelijk tegenover zijn medebezitter indien de hond schade toebrengt aan die andere bezitter? En wat te denken van aansprakelijkheid bij medebezitters van een zaak? De Hoge Raad beantwoordde mede ingegeven door de maatschappelijke opvatting de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend. Het antwoord op de derde vraag is nog niet gegeven. Maar, hoe denkt ‘de maatschappij’ hierover? Uit ons empirische studie blijkt dat een substantiële meerderheid van de respondenten het aannemen van medebezitters-aansprakelijkheid in alle drie de genoemde situaties redelijk acht. In ons hoofdstuk, waarvan dit blog een beknopte weergave vormt, geven we verklaringen voor deze discrepantie en reflecteren we ook op de implicaties van deze discrepantie voor het gebruik van de term maatschappelijke opvatting. Wij concluderen dat, vanuit empirische optiek bezien, het gebruik van de term ‘maatschappelijke opvatting’ als maatstaf beter gemeden kan worden. De resultaten zijn te lezen in hoofdstuk 7 van de bundel Opvattingen Onderzoeken.

Lees verder

Vindt Nederland het redelijk dat de Staat de schade van politie-invallen draagt?

In de zaak Staat/Wherestad centraal lag de vraag voor of de schade aan woningen van verhuurder Wherestad, veroorzaakt door strafvorderlijk optreden van de politie, buiten het normaal maatschappelijke risico (het normale bedrijfsrisico) van die verhuurder viel. Door Hof en Hoge Raad wordt ‘het naar maatschappelijke opvattingen redelijk geacht dat de Staat de schade draagt die aan derden (buitenstaanders) wordt toegebracht bij een politie-inval in het kader van een strafvorderlijke opsporingsonderzoek.’ De Hoge Raad benut een maatschappelijke opvatting als bouwsteen voor zijn juridisch oordeel zonder daarbij die maatschappelijke opvatting ook nog empirisch te funderen. Wij zette een vragenlijst uit om deze vraag nader te beantwoorden. In deze blog gaan wij in op de opvatting van ‘de maatschappij’ over normaal maatschappelijk risico, zoals dat bleek uit ons empirisch onderzoek, en op de vraag of dat dan strookt met de invulling die het hof (en de Hoge Raad, doordat deze het Hof niet corrigeert) daaraan gegeven hebben.

Lees verder

Van ‘praktische handleiding’ tot onrechtmatige handeling: interne instructies en maatschappelijke zorgvuldigheid

Private regelgeving vormt, net als de verkeersopvattingen, een buitenjuridische rechtsbron: het is voor de rechter een vindplaats van opvattingen uit de maatschappij en een aanknopingspunt voor rechtsvorming. In dit blog worden enige ontwikkeling in de rechtspraak rond private regelgeving naar voren gebracht. De hierop aansluitende bijdrage in de Ucall-bundel ‘Opvattingen onderzoeken’ onderzoekt het maatschappelijke draagvlak voor de toepassing van private regelgeving door de rechter bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm.

Lees verder

Weten rechters ook wat de samenleving rechtvaardig vindt?

Mag je als jongen van 17 seks hebben met een meisje van 15? En maakt het daarbij nog uit of ze jouw vriendin is, of gewoon een meisje dat je tegenkomt bij het uitgaan? En mag je de makelaar verantwoordelijk houden voor het verkeerd opmeten van een woning? En het ziekenhuis voor het plaatsen van borstimplantaten die later niet goed blijken te zijn? Hoe zit het met medewerkers van een bedrijf die strafbare feiten plegen in dienst van dat bedrijf? Is het bedrijf dan (ook) verantwoordelijk? Bij de beantwoording van deze vragen geldt w‘de maatschappelijke opvatting’ over de voorliggende kwestie als juridische maatstaf. De rechter moet dan op basis van de maatschappelijke opvatting het juridische geschil beslechten. Maar… Wat zijn die maatschappelijke opvattingen dan precies? En weten rechters eigenlijk wel hoe men in de samenleving over deze zaken denkt? Deze vragen zijn empirisch onderzocht door een groep Ucall’ers en staan centraal in het binnenkort te verschijnen boek ‘Opvattingen onderzoeken’.

Lees verder